Deze website gebruikt cookies. Als je wilt weten wat dat zijn, en wat voor consequenties dat heeft, klik dan hier. Als je niets van die cookies moet hebben, klik dan hier.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 25-3-2019

Wageningen ziet weinig in Europese dioxinemeetmethode

"Bij de Belgische methode meet je PCB's, en ga je ervan uit dat PCB's en dioxines in een vaste verhouding voorkomen", vertelt de Wageningse toxicoloog Bram Brouwer. "Maar dat klopt alleen als de dioxines afkomstig zijn van afgewerkte olie of oude transformators. Dioxines die bijvoorbeeld worden geproduceerd door een vuilverbrander spoor je zo niet op. Als alleen de Belgische methode gebruikt gaat worden, heb je grote kans dat we dioxines gaan missen."

Toch heeft de Europese Commissie de Belgische methode goedgekeurd. Ir Jo Bemelmans, woordvoerder van het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor land- en tuinbouwprodukten (RIKILT-DLO), weet waarom. Onder druk van de Belgen, en uit begrip voor de Belgische situatie. "Belgie kampt met een dioxineprobleem en heeft te weinig capaciteit om dioxine op een andere manier te meten", zegt Bemelmans. "De PCB-methode is verhoudingsgewijs snel en goedkoop, en kan door veel labs worden uitgevoerd."

Bemelmans denkt dat de PCB-methode in dit speciale geval uitkomst kan bieden, maar vindt de PCB-methode op zich niet voor de hand liggend. Het RIKILT, dat in opdracht van LNV dioxinemetingen verricht, gebruikt zelf van twee verschillende meetmethoden: de CALUX-methode en de GCMS-methode

De door Brouwer bedachte en door het RIKILT verder geperfectioneerde CALUX-methode is een biologische methode die niet dioxines, maar de activiteit ervan meet. De te onderzoeken monsters worden samengevoegd met een oplossing van genetisch gemodificeerde cellen. Als er dioxines in de monsters zitten, geven de cellen licht. Met de CALUX-methode is zo betrekkelijk eenvoudig vast te stellen of een monster dioxines bevat.

De door Brouwer ontwikkelde methode wordt algemeen beschouwd als een biotechnologisch hoogstandje. De methode werkt door middel van tumorcellen van ratten. De cellen hebben een stukje DNA ingebouwd gekregen, afkomstig van vuurvliegjes. Dat zorgt ervoor dat de cellen licht geven als ze in contact komen met dioxines.

"Cellen, of ze nu van mensen of ratten zijn, hebben een receptoreiwit dat reageert op dioxines", legt Brouwer uit. "Als dat eiwit in contact komt met dioxines, geeft de receptor een signaal aan het DNA. Dan kan er van alles gebeuren: van de vorming van metabole enzymen die de stofwisseling ontregelen tot beschadiging van het erfelijk materiaal. Bij de gemodificeerde cellen voor de biologische dioxinemeting is dat receptoreiwit gekoppeld aan het stukje DNA dat verantwoordelijk is voor de afgifte van licht."

Ook bij een zogenaamd vals alarm is er dus iets aan de hand, stelt Brouwer. "Dan is er geen sprake van dioxines, maar wel een stof die hetzelfde effect heeft. Voor de volksgezondheid kan elk vals alarm dus een echt alarm zijn."

Rikilt-woordvoerder Bemelmans onderschrijft dat. Beiden vinden dat de biologische methode moet worden aangevuld met de klassieke GCMS-methode, waarbij alle actieve stoffen door middel van gaschromatografie worden geidentificeerd.

"Pas als je precies weet met wat voor verontreiniging je te maken hebt, kun je de bron achterhalen", zegt Brouwer.

"Als wij een monster positief benoemen, hebben we daar bijna altijd beide tests op los gelaten", zegt Bemelmans. "We houden dus rekening met de foutenmarge. Aangezien de biologische methode relatief snel en goedkoop is - de uitslag is binnen een dag bekend en een test kost slechts 750 gulden - kunnen door Brouwers methode de vier laboratoria met een gaschromatograaf worden ontlast. Hoewel een klassieke analyse maar vier dagen duurt, liep de wachttijd tijdens de dioxinecrisis op tot zes weken."

Weekblad voor Wageningen UR, 5 augustus 1999.




Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.