Deze website gebruikt cookies. Als je wilt weten wat dat zijn, en wat voor consequenties dat heeft, klik dan hier. Als je niets van die cookies moet hebben, klik dan hier.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 5-8-2019

Opheldering verwantschap tussen slavarianten vergemakkelijkt het maken van een nieuwe slasoort

Veredelaars die nieuwe slarassen willen kweken, kijken naar een verkeerde groep wilde verwanten. Tot die conclusie komt de Wageningse plantenwetenschapper Wim Koopman in zijn promotieonderzoek. Door het DNA van de planten in kaart te brengen, ontdekte Koopman dat een groep wilde slasoorten, die volgens wetenschappers nauw verwant is met de sla op ons bord, helemaal geen sla is - en dat het daarom praktisch onmogelijk is om beide groepen met elkaar te kruisen.

"IJsbergsla, gewone kropsla, eikenbladsla, het is taxonomisch gezien dezelfde soort", zegt de promovendus. "Lactuca sativa, om precies te zijn. Kwekers die nieuwe eigenschappen in die soort willen kweken kijken nu nog vooral naar nauwe verwanten als kompassla Lactuca serriola, wilgsla Lactuca saligna en gifsla Lactuca virosa. Dat zijn wilde slasoorten, die net als de consumptiesla vallen in de subsectie Lactuca."

Maar waarschijnlijk hebben kwekers aan de Lactuca-genen niet genoeg. Kwekers hebben behoefte aan resistentie-eigenschappen die je niet in de subsectie Lactuca vindt, maar misschien wel bij hun naaste verwanten: slasoorten uit de subsectie Cyanicae. Dachten ze.

"De klassieke plantentaxonomie stelde stambomen samen aan de hand van het uiterlijk van de planten", zegt Koopman. "Toen ik naar het DNA van de planten keek, zag ik echter dat die stambomen niet klopten. De soorten van de subsectie Cyanicae bleken maar in de verte verwant te zijn aan onze consumptiesla."

Kwekers kunnen hun energie beter richten op een compleet andere sectie slasoorten, bleek uit de DNA-analyses van de onderzoeker. Hoewel taxonomen ze altijd beschouwden als verre familieleden, staan de slasoorten van de sectie Mulgedium dicht bij de subsectie Lactuca. En dat is goed nieuws voor kwekers.

"Er zitten nuttige eigenschappen in die sectie", zegt Koopman. "Er is een Mulgedium-soort, Sibirica, die goed groeit op koude en natte gronden. En je hebt Tatarica, die tolerant is voor zout. Dat is natuurlijk een interessante eigenschap voor gebieden waar de bodem is verziekt door verzilting."

Koopman voerde zijn onderzoek uit in nauwe samenwerking met de Nederlandse genenbank (CGN) en zeven grote Nederlandse sla-veredelaars. Zijn onderzoek voorziet hen waarschijnlijk voor de eerstkomende tien jaar van voldoende theoretisch fundament om verder te kunnen.

Koopman begon al in 1987 met zijn onderzoek, toen hij zich in een afstudeervak richtte op sla. In de jaren negentig zette hij dat onderzoek om in een promotieproject. Hoewel hij ondertussen ook met aardappels bezig is geweest, heeft hij zich sinds dat afstudeerproject onafgebroken verdiept in sla bezig. Waarschijnlijk is er niemand op deze planeet die zoveel weet van sla als hij.

Toch? "In de Verenigde Staten zit Edward Ryder", relativeert Koopman. "Die heeft hier ook veel verstand van. Een wat ouder iemand. Van een andere generatie."

Wim Koopman promoveert op 21 juni aan Wageningen Universiteit bij prof. Jos van der Maesen, hoogleraar plantentaxonomie, en prof. Evert Jacobsen, hoogleraar plantenveredeling.

Weekblad voor Wageningen UR, 20 juni 2002.




Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.