|
Opgepoetst | 17-9-2024 Eerst gezond worden, dan pas een six-pack
Vroeger was je te dik, maar je hebt je daarbij niet neergelegd. Je let nu op je eten, je traint met gewichten of je doet aan cardio. En je gooit je magere eiwitconsumptie omhoog. De weegschaal en je kleren geven aan dat je aanpakt werkt. Maar die six-pack, die strepen op je borst, die spieren die pal onder je huid liggen, die weigeren zich te laten zien. Herkenbaar? Dan hebben we dit stukje voor jou geschreven.
Als mensen met een hoog vetpercentage gaan afvallen, dan heeft het afbouwen van de onderhuidse vetreserves aanvankelijk weinig prioriteit voor het lichaam. Veel van het vet dat als eerste verdwijnt is het dieper gelegen buikvet en vet in de spieren. Dat is cosmetisch niet heel zichtbaar, maar het is wel gezond.
Locatieverschillen in vetverlies
Waarin dikke mensen met een vetpercentage van 30 procent en slanke mensen met een vetpercentage van 16 procent wel van elkaar verschillen, is de herkomst van het vet dat ze verbranden. Dikke mensen verbranden verhoudingsgewijs meer vet dat is opgeslagen in de spiercellen, slanke mensen verbranden vooral onderhuids vet.
Met krachttraining is ongeveer hetzelfde aan de hand. Krachttraining is een niet te onderschatten instrument voor mensen die willen afvallen. Dat kom voor een deel omdat je na krachttraining extra kilocalorieen verbrandt. Dat fenomeen heet officieel excess post-exercise oxygen consumption (EPOC).
De energie voor EPOC komt volgens Taiwanees onderzoek voor 75-80 procent uit vet. Waar dat vet vandaan komt, dat hangt af van je vetpercentage. Sportwetenschappers van East Carolina University ontdekten dat dikke mensen met een vetpercentage van meer dan 30 procent verhoudingsgewijs meer vet uit hun spieren verbranden dan mensen met een vetpercentage van 14 procent. Bij die groep komt het vet voor de EPOC meer uit de onderhuidse vetreserves.
Gewoon doorgaan
Als dikke mensen vet gaan verliezen, dan worden ze in de eerste plaats gezonder. En droog worden? Dat komt later.
Eigen Kracht, 23 augustus 2010.
|