|
Opgepoetst | 27-4-2019 Een prins van binnen
Noem me maar Jean-Jacques, want zo noem ik mezelf ook. Ik heet eigenlijk Martin, maar ik jaren geleden besloot ik dat die naam niet bij mij paste. Hij was te gewoon. Zo lang ik me kan herinneren wist ik dat ik anders was dan andere mensen, en dat ik dingen zou gaan doen die ècht belangrijk waren.
Door die innerlijke overtuiging was mijn levenspad anders dan dat van mijn familieleden en leeftijdsgenoten. Om vriendschappen en intieme relaties heb ik me nooit bekommerd, om een opleiding of een carrière al helemaal niet. Ik wist dat, als de tijd was gekomen waarop mijn levensbestemming zich zou openbaren, die alleen maar een belemmering zouden vormen.
Ik was ergens tussen de twintig en de dertig toen ik een ouder echtpaar leerde kennen. Ik ontmoette ze in het statige stadspark waar ik me geregeld terugtrok om uit te kijken over de waterpartijen, en me bezon op de dingen waarvan ik wist dat ze zouden komen.
Gerard – "zeg maar Ger" - en Iris waren anders dan alle andere personen die ik tot nu toe in mijn leven had ontmoet. Ze maakten dat ik me, misschien wel voor de eerste keer in mijn leven, geaccepteerd voelde. Ze waren oprecht in mij geïnteresseerd, en in mijn ongewone levensfilosofie. De meeste mensen vinden me arrogant, en kunnen niet begrijpen waarom ik alleen leef en nietszeggende baantjes heb. De paar keer dat ik probeerde één en ander te verduidelijken waren de reacties zo vijandig, dat ik er in het vervolg maar over zweeg.
Maar Gerard en Iris begrepen me. Dat kwam misschien om dat ze ouder waren dan mijn leeftijdsgenoten, en meer inzichten en levenservaring hadden verzameld. Toen ik ze vertelde over mijn teruggetrokken en onthechte manier van leven wisselden ze een snelle blik uit. Toen ik voorzichtig de motieven achter mijn levenskeuzes liet doorschemeren, knikten ze alleen maar. En ze glimlachten.
"Je bent een bijzondere man", zei Gerard.
"Zeg dat wel", vond Iris.
"Er is veel moed nodig om af te wijken van de gebaande levenspaden", zei Gerard. "Iemand die durft te luisteren naar dat kleine stemmetje, dat zich ook zo makkelijk laat negeren. Het is altijd weer een plezier om zo'n dapper iemand te ontmoeten. Een gewone jonge man van buiten, maar een dappere prins van binnen."
Iris beroerde zachtjes mijn hand. Haar vriendelijke grijze ogen keken even in de mijne. Ik zag er liefde in. Toen ik nog een kleine jongen was had mijn grootmoeder zo naar me gekeken. En, nadat ze was overleden, niemand meer. "Geloof je in Het Kwaad, Jean-Jacques", vroeg ze zachtjes.
"Jazeker", antwoordde ik, zonder dat ik daarover hoefde na te denken. "En ik geloof ook dat deze wereld meer mannen en vrouwen nodig heeft die Het Kwaad bestrijden."
"Gelukkig zijn er nog een paar", verzuchtte Gerard. "Maar je hebt gelijk. We zouden er meer kunnen gebruiken."
"Misschien moeten we het hem vertellen", zei Iris. "Wat denk je, Ger?"
Nadenkend nam Gerard me op. "Ik denk dat je gelijk hebt, lieverd."
En Gerard begon me een verhaal te vertellen waarvoor de meeste mensen zich zouden afsluiten. Ze zouden het wegwuiven als fantasie, een hersenspinsel van een krankzinnige. Maar ik wist dat Gerard geen fantast was.
Gerard en Iris behoorden tot klein en select genootschap dat al sinds mensheugenis een geheime oorlog voert met een ras van kwaadaardige kobolden, dat probeert vanuit hun dimensie door te dringen in die van ons - en de mensheid aan zich te onderwerpen. Er waren plaatsen waar de scheidslijn tussen onze dimensie en de hunne verzwakt als door de volle maan de natuurwetten veranderen. Elke volle maan verzamelden de leden van het genootschap zich op die plaatsen om een invasie te stoppen, maar de leden van het genootschap verouderden. Hun fysieke en mentale krachten verminderden, terwijl die van de kabouters alleen maar toenamen. Vandaar dat Gerard en Iris op zoek waren naar iemand als ik.
"Kom vanavond naar ons huis, als je wilt", vroeg Gerard. "Misschien kunnen wij je helpen bij het vinden van je levensbestemming."
Iris gaf me een kaartje met een adres. "Doornroosje is wakker, maar de Prins slaapt", stond er met sierlijke letters op gedrukt.
Ik zegde toe te zullen komen, en nog diezelfde avond toog ik naar hun majestueuze herenhuis in het oudere deel van de stad. Gerard had me op het hart gedrukt ervoor te zorgen dat ik niet zou worden gevolgd. "Het kabouterras dat wij bestrijden heeft zijn pionnen in deze realiteit", had hij met bedrukt gezicht gezegd. "Dus pas alsjeblieft op."
Het huis van Gerard en Iris verbaasde me. Hoe indrukwekkend het er ook van buiten uitzag, ik had nooit kunnen vermoeden hoe mooi het van binnen was. En mijn gastheer- en vrouw verbaasden me nog meer. Gerard droeg een smoking, Iris een galajurk. Ze waren gekleed alsof ze naar een bijzondere feestelijke plechtigheid gingen. En toen ze me tussen hen in met zich meenamen naar een grote kamer op de tweede verdieping, merkte ik dat we niet alleen waren.
De kamer was gevuld met zo'n dertig mannen en vrouwen. Allemaal waren ze, net zoals Gerard en Iris, gekleed alsof ze naar een bijzonder feest gingen. Sommigen waren oud, sommigen jong, en toen wij de kamer binnenkwamen stopten alle gesprekken. Iedereen keek naar mij. In hun ogen lag dezelfde intense blik als in die van Iris en Gerard.
"Dit het genootschap waarover jullie het hadden, neem ik aan", zei ik.
"Ik ben bang van niet", antwoordde Iris. Ze deed haar best om haar gezicht in de plooi te houden, alsof ze een grappig verhaal aan het vertellen was, dat ze zou verprutsen als ze zou lachen. "Dit zijn hele slechte mensen. En ze zijn zeker niet zo moedig en onbaatzuchtig als jij."
De mannen en vrouwen lachten en applaudisseerden. Achter hen zag ik een tafel met messen en zagen. En de vloer waarop we stonden, zag ik nu, was bedekt met plastic.
"Geloof je nog in kaboutertjes, Prins Martin?", vroeg Gerard.
Inzending voor de verhalenwedstrijd van de Nederlandse Comic Con, 25-26 maart 2017.
|