Deze website gebruikt cookies. Als je wilt weten wat dat zijn, en wat voor consequenties dat heeft, klik dan hier. Als je niets van die cookies moet hebben, klik dan hier.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 29-8-2018

PPAR | Een beschermer uit het paleolithisch verleden

In onze cellen zit een erfenis uit de tijd dat we vooral planten aten. Dat is het eiwitje PPAR, een molecuul dat ons immuunsysteem kalmeert en beschermt tegen suikerziekte en hart- en vaatziekten. Tenminste, als we onverzadigde vetzuren eten. Wageningse onderzoekers die de geheimen van PPAR ontrafelen, hebben bovendien een hormoon ontdekt dat vetcellen laat krimpen.

Het verhaal van PPAR en het nieuwe vethormoon is een verhaal dat draait om afkortingen als HDL en FIAF. Het is bovendien een complex verhaal, verzucht prof. Michael Muller van de afdeling Humane Voeding van Wageningen Universiteit, vol interacties, terugkoppelingen en witte vlekken.

'Simpel gezegd bestuderen we een mechanisme waarmee het lichaam de belasting van een overmatige consumptie van calorieen kan opvangen', zegt hij. 'Onze cellen hebben, eeuwen geleden, eigenschappen gekregen waardoor ze de metabole opdoffers van onze moderne levensstijl kunnen opvangen. Je kunt het mechanisme vergelijken met het systeem van onze dijken. Als het water te hoog wordt voor de zomerdijken, lopen de uiterwaarden onder. Maar de rest van de polders niet.'

In het paleolithische verleden aten we vooral planten en waarschijnlijk ook wel vis. Ons lichaam heeft zich aangepast aan dat dieet. Daarom reageren we zo positief op allerlei verbindingen in planten, die ons lichaam gebruikt voor ontgiftiging. Even positief reageren we op de onverzadigde plantaardige vetten, zoals je die vindt in olijfolie en zonnebloemolie, en op de onverzadigde vetzuren in vis. En daarom hebben we zoveel moeite met de verzadigde vetten die we vooral via dierlijke producten binnenkrijgen. Verzadigde vetten verhogen onze kans op hartaanvallen, onverzadigde verkleinen die.

Op dat punt van het verhaal valt de eerste afkorting: PPAR. PPAR is een receptor voor vetten in de lever, vetcellen, de huid en spiercellen. Bindt PPAR aan vetten, dan bindt het met het DNA, het kenniscentrum van de cel, waarna het DNA een reeks eiwitten gaat aanmaken. Onverzadigde vetzuren binden makkelijker aan PPAR dan verzadigde vetzuren - en dat verklaart waarschijnlijk waarom onverzadigde vetten goed voor ons zijn, en verzadigde niet.

'We weten pas sinds kort hoe belangrijk PPAR is', zegt Muller. 'Een paar jaar geleden dachten onderzoekers nog dat PPAR belangrijk is bij muizen, maar niet bij mensen. Dat kwam omdat ze alleen menselijke cellen hadden onderzocht die uit organen van overleden mensen waren verwijderd. Kijk je naar levende cellen, dan krijg je een ander beeld. Dankzij DNA-arrays weten we nu dat PPAR tien procent van onze genen controleert. Dat is veel.'

Vasten
Vasten activeert PPAR. Als we een tijd niet eten, schakelt het lichaam over op vetten als brandstof. Normaliter komen vetzuren in het lichaam voor als triglyceriden, maar als het lichaam vetten uit de vetcellen gaat verbranden stijgt de concentratie vrije vetzuren. Het door vetzuren geprikkelde PPAR laat de cel een hormoon aanmaken dat FIAF heet.

'FIAF staat voor Fasting Induced Adipose Factor', vertelt dr. Fokko Zandbergen. 'We weten nog niet precies wat FIAF doet, maar onderzoekers hebben er hoge verwachtingen van. Zonder die verwachtingen zat ik nu niet in Boston.'

Zandbergen promoveerde op 12 juni bij Muller op een onderzoek naar FIAF. Nog voordat hij de laatste hoofdstukken van zijn proefschrift had voltooid, kaapte Harvard Medical School hem weg. Zandbergen voltooide zijn thesis in Boston, waar hij soms met Nobelprijswinnaars om de tafel zit.

FIAF is in de jaren negentig ontdekt door Zandbergens co-promotor, dr. Sander Kersten. Kersten maakte ook de transgene muizen die Zandbergen gebruikte in zijn onderzoek. De muizen hebben een extra kopie van het gen voor FIAF, en maken daardoor meer van het hormoon aan. De dieren zijn opvallend slank. Hun vetmassa was de helft van die van normale muizen.

De genetische ingreep had ook ongunstige effecten. De FIAF-muizen hadden meer vetachtige stoffen als triglyceriden in hun bloed. Bij mensen gaat dat samen met een verhoogde kans op het krijgen van hart- en vaatziekten. En toen Zandbergen de proefdieren een flinke hoeveelheid vet liet eten, zag hij nog iets wat hem niet beviel. In het bloed van de muizen steeg de concentratie triglyceriden - zeg maar: vetten - schrikbarend.

'De curve ging steil omhoog', zegt Zandbergen. 'Na acht uur stopten we met de meting. Op dat moment was de hoeveelheid vetten in het bloed nog steeds niet gaan dalen. Dit wijst erop dat de muizen met meer FIAF veel moeite hebben om vetten uit het bloed kwijt te raken aan bijvoorbeeld spier- of vetcellen.'

De muizen leken daar overigens geen last van te hebben, maar dat komt omdat muizen anders met triglyceriden omgaan dan mensen, legt Zandbergen uit. 'Muizen maken veel van het goede HDL-cholesterol aan. HDL vist vetachtige stoffen uit de bloedvaten, en transporteert die vervolgens naar de lever, waar ze worden afgebroken. HDL houdt de bloedvaten schoon.'

Naar het tweede deel van dit artikel >>>

Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.