Deze website gebruikt geen cookies. We verzamelen geen gegevens over onze bezoekers.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 1-8-2018

Pcb's hebben langetermijneffect op vissen

De standaardprocedure die moet vaststellen hoe giftig stoffen voor vislarfjes zijn, heeft een blinde vlek. Dat ontdekten Wageningse biologen door proeven met pasgeboren tongetjes. Hun onderzoek geeft waarschijnlijk een aanvullende verklaring voor de achteruitgang van de visstand - en het uitsterven van de paling.

'Wat we hebben gevonden is een uitgesteld effect van pcb's', zegt hoogleraar toxicologie Tinka Murk in haar Wageningse werkkamer. 'Zo kun je het nog het beste omschrijven.' Op het scherm van haar pc tovert de toxicoloog een figuur tevoorschijn uit een zojuist verschenen publicatie in Aquatic Toxicology. Murk en haar promovendus Edwin Foekema stelden tonglarfjes korte tijd bloot aan pcb 126, een Pcb met een krachtige dioxine-achtige werking.

'Aanvankelijk zagen we helemaal niets, ook niet als we hoge concentraties gebruikten', zegt Murk. 'Maar naarmate de tijd verstreek, stierven er steeds meer larven. Zelfs een kortstondige blootstelling aan geringe concentraties kon na meer dan twee weken nog dodelijk zijn.'

De proefopzet verschilt van die van de standaardtests waarmee de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, in het Engels OECD) bepaalt hoe giftig stoffen voor vislarven zijn. Die tests duren slechts enkele dagen.

'De reden dat we met tong gingen werken is dat deze vis in zijn ontwikkeling een metamorfose van larf tot platvis ondergaat', zegt Murk. 'In theorie is dat proces gevoelig voor verstoring door pcb's. Als de tong volwassen is, is zijn gevoeligste periode waarschijnlijk voorbij.'

Dioxines en dioxine-achtige stoffen prikkelen de arylhydrocarbonreceptor en veroorzaken zo een waaier van effecten. Ook bij lage concentraties verhogen ze bij mensen de kans op kanker en immuun- en ontwikkelingsstoornissen. Biologen nemen nog steeds aan dat de concentratie van deze stoffen in het milieu niet hoog genoeg is voor effecten op vissen, maar de bevindingen van Foekema en Murk kunnen misschien een merkwaardig fenomeen helpen verklaren waarover visserijbiologen zich al jaren het hoofd breken. 'Sommige haringpopulaties in de Noordzee planten zich in sommige jaren slecht voort, terwijl ze toch voldoende broed produceren', zegt Murk. 'Op de een of andere manier bereiken de larven moeilijk het juveniele stadium.'

De eerste auteur van de publicatie is Edwin Foekema, die als projectleider aan Imares is verbonden. Hij benadrukt dat zijn experimenten in een laboratorium zijn uitgevoerd en geen compleet beeld geven van de stress die contaminanten in het leefmilieu voor vissen betekenen. 'De laagste concentratie van pcb 126 waarbij wij nog net effect zien, grenst aan de concentratie die je in de Westerschelde vindt', zegt de promovendus. 'Maar er zijn natuurlijk veel verschillende stoffen waaraan vissen in zee tegelijkertijd worden blootgesteld. Vlamvertragers, perfluorverbindingen, zware metalen. We onderzoeken nu de effecten van die cocktails.'

Het is niet alleen het project van Foekema waaruit Murk afleidt dat stoffen die op het eerste gezicht onschadelijk zijn wel degelijk de voortplanting van vissen in gevaar kunnen brengen. De hoogleraar was ook betrokken bij het promotieonderzoek van Arjan Palstra aan de Universiteit Leiden. Palstra, die dankzij een Marie-Curie Intra-European Fellowship nu in Barcelona werkt, bestudeerde de effecten van dioxine-achtige pcb's op paling. Binnenkort verschijnt een studie van de Leidse groep, in samenwerking met Wageningers, die het aannemelijker maakt dat contaminanten als pcb's een hand hebben in het wereldwijde uitsterven van de paling.

'In dat onderzoek hebben we palingen blootgesteld aan pcb's, en ze vervolgens achthonderd kilometer in een tunnel laten zwemmen', vertelt Palstra. 'Zo simuleerden we een deel van de reis die palingen afleggen als ze naar de Sargassozee zwemmen. We konden bewijzen dat een relatief kleine hoeveelheid pcb's door die inspanning waarschijnlijk grote gevolgen voor de voortplanting heeft.'

Terwijl palingen naar de Sargassozee zwemmen om te paaien, eten ze niet. Ze teren op hun vetreserves, de weefsels waarin de vetoplosbare pcb's zijn opgeslagen. Tijdens de zwemtocht stijgt de concentratie pcb's in het bloed door het verbranden van vetten – en dat betekent dat de vrouwelijke dieren meer pcb's in hun eieren afzetten. Dat dit gevolgen heeft voor de levensvatbaarheid van de nieuwe generatie palingen, blijkt uit een eerdere publicatie van Palstra in Naturwissenschaften. Daarin constateerde hij dat jonge palingen vaker misvormd zijn en minder vaak levensvatbaar lijken te zijn naarmate hun moeders meer pcb's in de eitjes opslaan.

'We vonden de effecten al bij concentraties waarbij palingen voor consumptie worden goedgekeurd', zegt Palstra. 'Met de nieuwe publicatie kunnen we laten zien dat de reis van zesduizend kilometer naar de paaigronden de effecten van pcb's op het nageslacht versterkt.'

Het definitieve bewijs dat pcb's en soortgelijke contaminanten bijdragen aan het uitsterven van de diverse soorten paling is daarmee nog niet geleverd, nuanceert Palstra. 'Maar het aantal glasaaltjes dat uit de oceanen terugkeert naar zoetwater om volwassen te worden is in Europa, de Verenigde Staten en in Japan gereduceerd met misschien wel negenennegentig procent. Dan ga je toch aan wereldwijde fenomenen denken zoals contaminatie met dioxines en pcb's.'

Bionieuws, editie 1, 24-01-2009

Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.