Deze website gebruikt cookies. Als je wilt weten wat dat zijn, en wat voor consequenties dat heeft, klik dan hier. Als je niets van die cookies moet hebben, klik dan hier.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 23-3-2019

Gras als vijand

De grassoort Imperata cylindrica bevecht haar plaats in het ecosysteem door middel van een soort chemische oorlogsvoering: de wortelstokken geven een stof af waardoor de zaden van andere soorten niet meer ontkiemen. "Na elke gebeurtenis waardoor begroeiing verdwijnt, schiet Imperata cylindrica als eerste wortel", zegt Wim Tolkamp, met zijn 48 jaar de oudste MSc-student die ooit op het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer (IBN-DLO) heeft rondgelopen. "Als dit gras de kans krijgt, roeit het alle andere soorten uit."

"Daarbij komt nog dat, anders dan regenwoud of gewassen, Imperata cylindrica uitstekend bestand is tegen droogte, vraat en de branden die deze gebieden teisteren", vervolgt Tolkamp. "Het lijkt wel alsof het gras alleen maar harder gaat groeien door een brand. Door deze combinatie van eigenschappen is de Imperata cylindricaeen overlever bij uitstek."

De optelsom van droogtes, branden, door menselijk ingrijpen veroorzaakte erosie en een sublieme grassoort resulteert in uitgestrekte, bijna onkwetsbare grasvelden, die op de Indonesische eilanden alang-alang heten. "Het zijn uitgestrekte velden van Imperata cylindrica", zegt Tolkamp. "Dat soort velden vind je tegenwoordig bijna overal in de tropen."

Overal waar de mens de grond heeft uitgeput, en het ecosysteem heeft vernietigd, doet Imperata cylindrica het goed, vertelt Tolkamp. Bijvoorbeeld aan de rand van het tropisch regenwoud, waar de bewoners nog aan slash and burn doen: ze branden uitgeputte landbouwgebieden af en trekken dan weg. Na verloop van tijd keren ze dan terug en beginnen ze opnieuw. Ze geven de grond echter te weinig tijd om te herstellen. Daardoor krijgt de grassoort extra kansen.

"Dat geldt niet alleen voor het door branden geteisterde regenwoud", zegt Tolkamp. "Ook in de landbouwgebieden, waar erosie en bodemuitputting aan de orde van de dag zijn, voert elk zuchtje wind Imperatazaden aan. Met alle gevolgen van dien."

Wim Tolkamp is sinds 1972, toen hij afstudeerde aan de Hogere Tuinbouwschool in Utrecht, met tussenpozen in dienst bij het IBN-DLO. Tussen 1993 en 1997 werkte hij in Indonesië. Het IBN-DLO had hem uitgezonden als adviseur voor een project van de Wageningse stichting Tropenbos.

De Landbouwuniversiteit verleende de DLO'er toestemming om van deze opdracht een MSc-project te maken. Zijn opdracht: vind een manier om Kalimantan te herbebossen. "Geen geringe opgave, als je zo'n formidabele vijand tegenover je hebt", zegt Tolkamp. "In Indonesië alleen al beslaat de totale oppervlakte alang-alang meer dan twintig miljoen hectare. Dat is bijna vier keer de oppervlakte van Nederland."

"Herbebossing bekent intensief ingrijpen", vindt Tolkamp. "Wachten tot de zaak zich herstelt, werkt volgens mij niet. Ik denk dat de zaadbank, de zaden die in de bodem wachten om te ontkiemen, al lang en breed door het gras is aangetast."

Om diezelfde reden werkt het domweg aanplanten van de gewenste bomen ook niet. "Jonge bomen hebben schaduw nodig. Anders bezwijken ze onder de straling. Op de velden is echter geen boom meer te bekennen."

Daarom benaderde Tolkamp het probleem langs een net iets andere weg. Hij begon te experimenteren met 41 pioniers. Dat zijn de eerste nieuwe planten die gaan groeien op een braakliggend stukje grond. "Als je een stuk alang-alang gaat herbeplanten, dan zijn de pioniers van het regenwoud van Kalimantan de eerste keus. Als de pioniersbegroeiing aanslaat en de grond door een eerste bladerlaag wordt beschaduwd, sterft de Imperata door een gebrek aan licht niet alleen af, maar worden andere follow up-gewassen beschermd tegen straling, droogte en hitte."

Maar welke pioniersplanten zijn daarvoor het meest geschikt? De lokale, ontdekte Tolkamp. "Tropische bosbouwers werken vooral met exotische soorten. Bijvoorbeeld met een acaciasoort, die weliswaar groeit als kool maar niet is opgewassen tegen de branden. Ik ontdekte dat de meeste lokale pioniers dat wel zijn."

In een volgende fase van het onderzoek onderzocht Tolkamp hoe de vier meestbelovende pioniersoorten reageren op bemesting, en welke soort mest de beste resultaten geeft. Een slow release-mestsoort bleek het beste te werken.

"Als je een gat graaft om een boompje te planten, doe je die mest er tegelijkertijd bij", zegt Tolkamp. "De mest levert extra nutriënten aan de pionier, zodat die grotere overlevingskansen heeft. Dat heeft ook het voordeel dat het gros van de nutriĆ«nten niet bij het gras terechtkomt."

"Nu is het mogelijk om de strijd tegen de alang-alang aan te binden", besluit Tolkamp. "De volgende stap is dat we zones gaan aanleggen rond het regenwoud en de landbouwgebieden. Die moeten gaan fungeren als buffers tegen het oprukkende gras."

Weekblad voor Wageningen UR, 1 juli 1999.




Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.