Deze website gebruikt cookies. Als je wilt weten wat dat zijn, en wat voor consequenties dat heeft, klik dan hier. Als je niets van die cookies moet hebben, klik dan hier.

Willem Koert.nl

Nieuw | Over mij | Contact | Blogs

Opgepoetst | 14-9-2019

Biotechnologie ontwikkelen voor marginale landbouw

Toepassingen van moderne biotechnologie slaan vaak volledig de plank mis in arme regio's met een marginale landbouw. Wageningse onderzoekers werken daarom nu samen onderzoekers in zich ontwikkelende landen om een radicaal andere vorm van biotechnologie te introduceren die wordt gestuurd vanuit netwerken. De westerse bijdrage is bescheiden. Lokale onderzoekers ontwikkelen de technologie en beslissen wat goed of slecht is.

Een gemodificeerde bacterie, die van cellulosehoudende afvalstoffen uit de landbouw grondstoffen voor nylon kan maken. Hij kwam ter sprake op het meest recente symposium over genomics.

"Vernuftig", oordeelt Ruivenkamp van de leerstoelgroep Technologie en agrarische ontwikkeling van Wageningen Universiteit. "Maar het is ook weer een voorbeeld dat laat zien wat er mis is met de moderne biotechnologie."

De E. coli-bacterie die de onderzoekers als uitgangsorganisme hebben gebruikt was waarschijnlijk al gepatenteerd. Het organisme was bovendien aangepast om te functioneren binnen processen, installaties en technologie die al bestaan in het bedrijf dat de ontwikkeling ervan heeft bekostigd. Daardoor is het niet mogelijk de bacterie te gebruiken in bijvoorbeeld de kleinschalige bioreactoren in een Indiase provinciestad.

Het maken van dit soort keuzes bij de ontwikkeling van biotechnologie is niet alleen een euvel van genomics, maar bij alle biotechnologie. "Biotechnologie wordt ontwikkeld voor een landbouw die je vindt in de Verenigde Staten of de Flevopolders", zegt Ruivenkamp. "De arme gebieden met zijn 'marginale' landbouw, kunnen er echter niets mee. Onder de omstandigheden daar werkt die technologie niet. Daarom is de Groene Revolutie in Afrika mislukt. Daarom lijden achthonderd miljoen mensen honger, ondanks alle vooruitgang."

Die onbelichte eenzijdigheid van biotechnologie is al sinds de oprichting het werkveld van Ruivenkamps groep, al is de insteek wel veranderd. "Vroeger legden we vooral de vinger op de zere plek. We wilden aangeven waar het fout ging. Tegenwoordig denken we mee. We willen laten zien hoehet anders kan."

Noodgedwongen
Dat gebeurt bijvoorbeeld in het door DGIS en INREF gesponsorde project Tailormade Biotechnologies for Endogenous Development, dat Ruivenkamp samen met ir Inge Dijkslag en ir Jantina de Vries coordineert. In het project werkt de leerstoelgroep samen met onderzoekers in landen als India, Brazilie en Cuba, die daar alternatieve vormen van biotechnologie ontwikkelen. De Vries heeft een tijd in Cuba gezeten, en gezien hoe daar een systeem van 220 kleinschalige laboratoria voor de landbouw biobestrijdingsmiddelen heeft ontwikkeld.

"Die laboratoria heten CREEs", zegt Ruivenkamp. "In elke regio zit er eentje. Omdat Cuba door de handelsblokkade van de VS moeilijk olie of andere grondstoffen kan importeren, hebben de CREEs bijvoorbeeld noodgedwongen alternatieve bio-insecticiden moeten ontwikkelen."

De laboratoria hebben van lokale stammen van de bacterie Bacillus thuringiensis uit de bodem bepaald of ze potentie hadden, en de meest effectieve grootschalig geproduceerd. Boeren spuiten die organismen over hun gewassen. Onderzoekers in India doen hetzelfde. In de Indiase deelstaat Andra Pradesh fermenteren kleinschalige laboratoria bacterien zodat de actieve stoffen vrijkomen.

De Cubaanse en Indiase methoden zijn low tech-versies van wat Monsanto met zijn Bt-mais en -katoen heeft gedaan. De ingenieurs van het biotechbedrijf gebruikten genen van de Bacillus thuringiensis om gewassen resistent te maken tegen insecten.

Het uitwisselen van kennis over dit soort alternatieve technologieen is het doel van het Tailormade-project. "In India alleen zijn er zo'n zestig netwerken die biotechnologie in ontwikkelen", zegt Ruivenkamp. "In andere landen zijn het er meestal minder. In het project brengen we sleutelfiguren in die processen met elkaar in contact, en geven we ze de kans van elkaar te leren of samen te werken."

De netwerken die het project bij elkaar houden met elkaar gemeen dat ze technologie ontwikkelen in samenspraak met de gebruikers. "In de gangbare biotechnologie ontwikkelt een concern iets nieuws, en worden de gebruikers vervolgens 'geinformeerd'", vervolgt Ruivenkamp. "Als dan blijkt dat de boeren er niet aan willen, of dat de consument de technologie niet accepteert, dan heeft het concern geen andere keus dan de technologie maar te laten vallen, en miljoenen aan research weg te gooien. In deze netwerken spelen de gebruikers een actiever rol. Ze geven zelf aan met welke problemen ze kampen, en welke biotechnologie die kan oplossen."

Dat gebeurde bijvoorbeeld een maand geleden in de Keniase universiteitsstad Kisumu. Op die bijeenkomst stelden de deelnemers onder meer vast aan welk soort technologie ze behoefte hadden: nieuwe methoden voor de weefselkweek van bananen en cassave, en slimme schimmel- en bacteriecultures die de bodemkwaliteit verhogen.

"Je moet dan denken aan organismen die de beschikbaarheid van micronutrienten verhogen of plantengroeihormonen aanmaken", zegt De Vries. "Of schimmels die niet schadelijk zijn voor planten, maar andere schimmels wegconcurreren die dat wel zijn."

Boerenkennis
De netwerken maken een biotechnologie die radicaal verschilt met de biotechnologie die tot nu toe de aardbol heeft gedomineerd, zegt Ruivenkamp. "In de geschiedenis van de biotechnologie in de voedselproductie zie je een grote rode lijn. De technologie neemt, in de vorm van biotechnologische producten, steeds meer functies over van de boer."

Wat eerst op het bedrijf ontstond, verandert in een product waarvoor de boer moet betalen. Kunstmest vervangt mest van landbouwdieren, zaden van veredelingsbedrijven vervangen zaden die het bedrijf zelf produceert, en de adviezen van voorlichters vervangen de boerenkennis. Langzaam maar zeker, met elke stap waarmee de technologie voortschrijdt, verliest de boer de grip op zijn bedrijf en groeit zijn afhankelijkheid van de markt.

"In de lokaal ontwikkelde biotechnologieen zie je iets totaal anders", zegt Ruivenkamp. "De boeren gebruiken technologie, zonder dat ze daarvoor functies uit handen geven. Zijzelf blijven de controle behouden, door biotechnologie die in het Westen misschien ouderwets aandoet, maar ook bij geavanceerde genomicstoepassingen. We horen van onderzoekers uit India dat zij organismen modificeren en zich daarbij direct laten sturen door de toekomstige gebruikers."

Er is ruimte voor andere Wageningse groepen om in het project te participeren, zegt Ruivenkamp. "In de kenniseenheden is kennis aanwezig waarmee biotechnologie kan aansluiten bij de behoeften van arme boeren, en misschien kunnen het IAC en het Noord-Zuid Centrum een ondersteunende rol vervullen. Ons uitgangspunt is dat we ons bescheiden opstellen. Wij gaan niet beslissen wat goed of slecht is. Dat doen de lokale onderzoekers. Zij ontwikkelen de technologie. Wij stellen ze daartoe in staat en reflecteren."

Weekblad voor Wageningen UR, 17 april 2003.




Gemaakt in Kladblok. WordPress is voor mietjes.